Karel Weyler groeide op in en gezin van zeven kinderen. Zijn vader was onderwijzer en later directeur van een stedelijke school. Hij voltooide zijn humaniora aan het Antwerpse atheneum, waar hij onder andere les kreeg van dichter Jan Van Beers. In 1892 promoveerde hij als doctor in de rechten aan de ULB en werd advocaat. Weyler was een belangrijke pleitbezorger van het gebruik van de Nederlandse taal in strafzaken en de vernederlandsing van het lager en middelbaar onderwijs, alsook van de Gentse Rijksuniversiteit, die opgericht was door Jan Van Rijswijck en Edward Coremans in 1885. In 1904 engageerde hij zich in de politiek. Zo was hij medestichter van de radicale liberale Volkspartij “Help U Zelve” waarvan hij van 1911 tot 1912 voorzitter was. Hij werd in 1908 verkozen tot gemeenteraadslid van Antwerpen, een mandaat dat hij behield tot in 1929. In 1918 volgde hij de door de Duitse bezetter gedeporteerde Louis Franck op als schepen. Op 5 augustus van datzelfde jaar werd hij effectief benoemd als schepen in opvolging van Victor Desguin met de bevoegdheden “openbaar onderwijs” en “schone kunsten”. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1921 leden de liberalen een zware nederlaag en kwamen in de oppositie terecht. Nog in 1921 werd hij verkozen tot provinciaal senator. Hij zou zetelen in de commissies “kunsten en wetenschappen” en “verzoekschriften”. Een belangrijk thema in deze legislatuur was de vernederlandsing van de RUG. In 1925 werd hij rechtstreeks gekozen als senator voor het arrondissement Antwerpen in de commissie “kunsten en wetenschappen” en “koloniën”, en bleef daarnaast lid van de commissie “'verzoekschriften”. Bij de verkiezingen van 1929 werd hij niet herkozen als rechtstreeks senator. Weyler verliet hierop de actieve politiek en werd provinciegouverneur van Oost-
Met dank aan Alex Elaut
voor de informatie